Pieter van Abeele - SOLD
(Middelburg, 1608 – Amsterdam, 1684)
Memorial medal or ‘Aanwezigheidspenning’ commemorating Justus de Jonge (?, 1669 – Amsterdam, 1697)
Amsterdam
Second half of the 17th century, dated ‘1697’
Silver, hollow cast and engraved
H. 61 mm. W. 52 mm.
Provenance
Private collection, Netherlands
This front of this memorial medal depicts various symbols which represents the mortality of man. The backside bears an inscription commemorating the Priest Justus de Jong, wh died in Amsterdam. This medal was made by Pieter van Abeele (Middelburg, 1608 – Amsterdam, 1684), and reused in 1697, which was not uncommon with this type of medals. Pieter van Abeele was a Dutch medallist and coiner in Amsterdam. He perfected the technique of pressing hollow medals. He created the two sides of the medal separately and combined them with a ring of metal. His works are said to be the best of their time, and consist mostly of memorial and portrait medals. They depict several members of the House of Orange, Admiral Maarten Tromp, Jan Wolfert van Brederode, Charles X of Sweden and Charles II of England. He also made commemorative medals for the destruction of the English fleet and the peace of 1667, as well as one showing the granting of the coat of arms to the city of Amsterdam by Count William II of Holland and Emperor Maximilian I. He died in Amsterdam.
Please find d detail rapport in Dutch below:
Beschrijving
Op de voorzijde een op twee gekruiste beenderen rustend en met lauweren omkranst doodshoofd en face, met daarboven een gevleugelde zandloper als symbool van de kortstondigheid van dit leven en het onvermijdelijke naderende stervensuur. Als symbool van de dood kwam de het tijdglas of de zandloper voor het eerst voor in de late Middeleeuwen. De zandloper is voorzien van twee vleugels, met links een duivenvleugel en rechts een vleermuisvlerk. Dit is een symbool dat de tijd - en dus het leven - zowel gedurende de dag als nacht vervliegt en zowel bij goed als bij kwaad. Achter de schedel zijn twee gekruiste zeisen weergegeven, het symbool voor de onverbiddelijkheid van de dood. De dood wordt ook wel de ‘grote maaier’ genoemd, die oogst aan het Eind der Tijden. In de vroege Middeleeuwen werd de dood al afgebeeld als een skelet met een zeis in de rechterhand. Daarnaast is de zeis (of de sikkel) een attribuut van de Romeinse god Saturnus, de god van de landbouw. In de Middeleeuwen werden de goden geassocieerd met planeten. De planeet Saturnus werd beschouwd als koud, sinister en verweven met de dood. Rond de bladen van de zeisen slingert zich een banderol met daarop de tekst: “Saigh sijn de dooden die inden Heere stervē want sij Rusten van haren Arbeijt”. Onder de schedel een cartouche gevormd door samengebonden florale bundels met onder andere korenaren, met daarin gegraveerd de Latijnse tekst: “IUSTUS ut palma Florebit”, een citaat uit Psalm 92:13 “De rechtvaardigen groeien op als een palm”. Tevens in het eerste woord van dit citaat in dit geval een verwijzing naar de voornaam van de overledene.
Op de gladgepolijste achterzijde staat de inscriptie:
Ter
Gedachtenis
Van den Eer
Waerdigen Heer
IUSTUS DE IONGE
Prister tot
Amsterdam
Overleden d’ 20 Jaň:
1697 Out 28 Jaaren
Daaronder in een geornamenteerde cartouche omgeven door florale bundels korenaren, met daarin gegraveerd de Latijnse tekst:
De Doot is
Een inganck
Ten Leeven
Langs de randen loopt een tekstband met de inscriptie: “Ter Eeren en Gedachtenis soo wilt dit aanvaerden Omdat ghij mijn dus Deughdelijck hebt gebracht ter Aerden”.
Aanwezigheids- of Begrafenispenningen
In het leven van onze voorvaderen speelden gedenkpenningen een voorname rol. Niet alleen bij huwelijken en gedenkwaardige gebeurtenissen, maar ook bij begrafenisplechtigheden. In dat geval lieten nabestaanden een medaille vervaardigen gewijd aan de gedachtenis van de overledene. Van Gewen wijst er op dat het uitgeven van aanwezigheids- of begrafenispenningen voorbehouden was aan de hoogste sociale klassen. Zo was in de stad Brugge in de 17de eeuw de uitgifte van aanwezigheis- of dodenpenningen een privilege geworden, dat door de houders ervan angstvallig bewaard en beschermd werd. Wanneer een houder van het privilege overleed, liet zijn familie loden of tinnen schijfjes slaan, waarop het familiewapen stond afgebeeld. Alle personen die uitgenodigd werden tot het bijwonen van de begrafenis ontvingen een dergelijke penning. Op hun beurt deelden deze de penningen weer uit aan bedelaars of armen die zich in het kerkportaal bevonden als de uitvaartplechtigheid was beëindigd. Later konden deze penningen tegen brood of een maaltijd worden ingeruild (Van Gerwen, 1980, p. 287). Ook Dompierre de Chaufepié stelt dat nabestaanden penningen lieten vervaardigen om die uit te reiken aan “de vrienden van den dode of aan hen die hem ten grave droegen” (Dompierre de Chaufepié, 1906, p. 238). Afgezien van het privilege, was het laten vervaardigen en uitreiken van dergelijke penningen een kostbare zaak, vooral wanneer het de zilveren varianten betrof. Dompierre de Chaufepié stelt dat met betrekking tot het vervaardigen van penningen men twee wegen kon bewandelen: “wanneer men vermogend was gaf men aan een of anderen stempelsnijder de opdracht om eenen penning te maken; van een bevrienden poëet kreeg men dan wel een berijmd opschrift en men verlangde dan een stuk zeer speciaal vervaardigd voor eene bepaalde gebeurtenis, maar men kon ook naar eenen zilversmid gaan en daar een bestaande medaille koopen waar men dan op de daarvoor bestemde ruimte de namen en de data liet graveeren. Men had dan natuurlijk geen origineel stuk, maar kon toch zijn magen en vrienden verheugen met een geschenk” (Dompierre de Chaufepié, 1906, p. 230). Aanwezigheidpenning kennen meerdere type voorstellingen. “ (…) dan vinden wij vooreerst de portretten der personen die worden gehuldigd, 't zij omdat zij huwden of vijf en twintig — vijftig jaar in den echt verbonden waren, hetzij omdat de dood met zijn zeis hun levensbloem wegmaaide ” (Dompierre de Chaufepié, p. 1906, p. 230). Vaak ook treft men het familiewapen of beeltenissen aan die verwijzen naar het beroep van overledenen (p. 232). De niet speciaal vervaardigde penningen kende vanzelfsprekend een meer algemene iconografie. Met betrekking tot dit type begrafenispenningen stelt Dompierre de Chaufepié “meer nog dan bruiloftspenningen kocht men deze stukken geheel gereed in de goudsmidswinkels en liet er dan naar eigen smaak opschriften op graveeren” (p. 238).
Pieter van Abeele
De onderhavige penning lijkt tot het laatste type te behoren. De penning werd gemodelleerd door de medailleur Pieter van Abeele (ook bekend als ‘Van (den) Abe(e)le) (Middelburg, 1608 – Amsterdam, 1684). Enkele penningen met dezelfde voorkant (afgezien van de tekst in de cartouche) zijn bewaard gebleven, zoals de plaquettepenning op het overlijden van de schilder Wallerand Vaillant, 1677 (collectie Rijksmuseum Amsterdam, object.nr. NG-2008-56) en de plaquettepenning op het overlijden van Maria Adriaens, 1696 (collecie Amsterdam Museum, penningen- en muntencollectie), evenals een kopie naar dit ontwerp door Van Abeele namelijk de plaquettepenning op het overlijden van Pieter Blankers, 1714, collectie Rotterdam Museum, inv.nr. 58038). Net is bij de penning uit de collectie van het Amsterdam Museum, dateert de inscriptie van de achterzijde uit de jaren’’ 90 van de 17de eeuw, toen Van Abeele reeds gestorven was. Dit wijst er op dat deze penning hergebruikt is in 1697. Net als Van der Aa stelt De Gelder dat Van Abeele leerling was van Jurriaen Pool (1618 – 1669), maar zijn meester overtrof en tot een der beste medailleurs van Nederland behoorde (De Gelder, 1911, p. 11). Van Abeele maakte portretpenningen van zeer vooraanstaande personen, waaronder meerdere leden van het Huis van Orange, Admiraal Maarten Tromp, Jan Wolfert van Brederode, Charles II van Engeland. en Koning Karel Gustaaf van Zweden. Hij was gehuwd met Catharina de Baudous, dochter van graveur Robert de Baudous (De Vries, 1885). Naast medailleur was Van Abeele tevens actief als edelsmid en tekenaar (zie: database RKD).
Justus de Jonge
Over Justus de Jonge is helaas niet veel bekend. In de Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem vermeldt Bernard J. M. de Bont hem onder de ‘Naamlijst van R.C. Priesters te Amsterdam in bediening en aldaar overleden’ als “Jong. Justus de, pater (?) op de braeck (palmgracht)”, op 24 Januari begraven in de Nieuwe Kerk. In verwijzing naar de Necrologium Dioecesis Harlemensis vermeld De Bont: Justus de Jonge, sacellanus Amst.”, dus als kappelaan te Amsterdam, met als overlijdensdatum “obyt ibid. 20 January 1697". (deel 17, 1891, p. 75) Justus de Jonge was priester in Amsterdam in een periode dat de katholieken geen openbare kerkdiensten mochten houden. Als resultaat van de Alteratie (de overgang naar het gereformeerde geloof ) in 1578, gingen de parochiekerken en kapellen over in handen van de protestanten en kregen ook nieuwe namen. Zo werd de oudste parochiekerk van de stad, de St. Nicolaaskerk, omgedoopt tot Oude Kerk en ook de Nieuwe Kerk werd, na een kleine Beeldenstorm, door de Calvinisten overgenomen. De vele kloosters in de stad kwamen in handen van het nieuwe stadsbestuur en kregen nieuwe (niet-religieuze) bestemmingen, zoals wees- of tuchthuis. Enkele jaren na de Alteratie kwam een officieel verbod op de viering van de katholieke eredienst en waren de katholieken voor hun geloofsbeoefening aangewezen op de zogenaamde schuilkeren. De protestante overheden waren uiteraard op de hoogte van het bestaan van deze schuilkerken, maar Amsterdam hanteerde een 'gedoogbeleid' ten aanzien van de diversiteit aan geloofsrichtingen in de stad, zo ook voor de katholieken. Het is tekenend voor het tolerante klimaat dat in Amsterdam heerste, dat de nabestaande van de jong overleden priester in 1697 kostbare aanwezigheidspenningen konden laten vervaardingen, waarvan dit stuk een getuige vormt.
Literatuur
Dompierre de Chaufepié, H.J. (1906). Huwelijks- en Doodspenningen in de 17de en 18de eeuw. In: Elsevier. Den Haag, juni 1906, pp. 230-241
Gerwen, Ch. van (1980). Collectie Van Gerwen-Lemmens. Schatkamer van de Kempen. Valkenswaard: Museum van Gerwen-Lemmens, p. 287
Vries, A.D. (1885). Biografische aanteekeningen betreffende voornamelijk Amsterdamsche schilders, plaatsnijders, enz. en hunne verwanten. (I) In: Oud-Holland, XXX:XXX, 3, 1885, p. 55-80; p. 57
Gelder, J, de (1911) Abeele, Pierte van In: Molhuysen, Ch. & Blok, P. Blok (1911). Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek. Leiden: A. W. Sijthoff's uitgevers-maatschappij, Deel I, p. 11
Verwante literatuur
Bemolt van Loghum Slaterus, A.J . (1981). Nederlandse familiepenningen tot 1813. Zutphen: Walburg Pers, p. 68, nr. 308
Frederiks, J.W. (1943). De meesters der plaquette-penningen. Amsterdam: Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Munt- en Penningkunde, p. 21, nr. 38, 38a, afb. 62, 63






